U bevindt zich hier:Deel 5 - Gechiedenis van de sociale woningbouw in Suriname
Deel 5 - Gechiedenis van de sociale woningbouw in Suriname
Geschiedenis sociale woningbouw Suriname
De roep om goede huisvesting is van alle tijden. De structurele bemoeienis van de overheid met de sociale huisvesting is vanaf 1950. Met wisselend succes. Kerken en bedrijven hebben zich in beperkte mate ook bezig gehouden met huisvesting voor ouderen en personeelsleden. Veel mensen hebben, soms met steun van familie en vrienden, in hun eigen huisvesting kunnen voorzien. Aan het einde van de 20ste eeuw gingen ook particuliere organisaties zich bezig houden met sociale huisvesting.
Tot de afschaffing van de slavernij woonden de meeste mensen op de plantages. Er was een directeurswoning en enkele barakken voor de slaven. De administrateur en adjudanten van de meester hadden iets betere woningen.
In de stad had je ongeveer hetzelfde: de meester woonde in de mooie herenhuizen en op de erven waren er barakken en een enkele betere woning.
Voor ambtenaren en onderwijzend personeel werden, vooral in de districten, ambtswoningen gebouwd.
Na de afschaffing van de slavernij trokken de ex slaven massaal naar de stad. De situatie op de erven werd erger. Over bewoning, slechte sanitaire situaties en watervoorziening. Voorts werden voor de barrakken en andere bouwsels uit de slaventijd relatief hoge huren gevraagd.
Wellicht beïnvloed door de gewijzigde inzichten mbt sociale woningbouw werd rond 1910 een Commissie ingesteld door de gouverneur om de woning toestand van de lagere klasse van de bevolking te onderzoeken en om met aanbevelingen te komen.De commissie rapporteerde in 1919 de wantoestanden mbt de huisvestingssituatie en de onevenredige hoge huren die de mensen moesten betalen.
Een van de aanbevelingen aan de gouverneur was om woningen te doen bouwen met geldelijke steun van de overheid aan woningbouwverenigingen.
Er gebeurde toen een tijdje niets met de aanbevelingen van de cie. De situatie verslechterde en zeker na de tweede wereldoorlog toen er een nieuwe trek naar de stad ontstond. De bevolking was vooral door de immigratie uit India en Indonesië sterk toegenomen. Eind jaren veertig kwam er wetgeving die het begin van overheidsbemoeienis inluidde, nl de Huurbeschermingswet 1947, De Bouwwet en de Huurwaardewet.
De eerste woningbouwvereniging Beter wonen diende zich aan. Het was een kleine club die een beperkt aantal wonen aan de Beterwonenstraat heeft gebouwd. In 1950 begon de overheid met Nedederlandse ontwikkelingsgelden huizen te bouwen te Beekhuizen en Zorg en Hoop. Het Ministerie van SoZaVo was opdrachtgever.
Toen al bleek dat ambtenaren geen woningen konden beheren. Daarom werd in 1951 de Stichting Volkshuisvesting Suriname opgericht. De stichting heeft in 50 jaar ongeveer 8.000 woningen gebouwd, een paar honderd zelfbouwwoningen begeleid en een paar honderd woningverbeteringen verricht. De financiering van deze woningen, gebeurde praktisch alleen uit buitenlandse subsidies. Door politieke bemoeienis met het beleid, slecht beheer en slechte betaaldiscipline is deze organisatie aan de grond geraakt.
Na de binnenlandse oorlog in de jaren 80 ontstond er weer een grote trek naar het kustgebied.
De overheid probeert de stagnatie in de sociale woningbouw te compenseren door het uitgeven van grond voor de bouw van woningen. Er van uitgaande dat individuen al dan niet met behulp van familie en buren zelf voor hun onderdak kunnen zorgen. Echter, in de loop der tijden is het bouwen van een woonhuis ingewikkelder geworden. Dat heeft met de Bouwwet te maken en de veranderde woonwensen. Ook bij de uitgifte van grond ziet men de invloed van de politiek en het niet goed functioneren van het overheidsapparaat. Daar waar de grond wel is aangewend voor woningbouw voor de lagere inkomens zijn de grote krottenwijken ontstaan. Wederom door de slechte handhaving van de regelgeving en de grote groepen van lagere inkomens bij elkaar. Bovendien worden de percelen niet binnen het kader van het huisvestingsbeleid en de Stedenbouwkundigewet uitgegeven. In dat opzicht een bestuurlijke chaos.
In de jaren na 1960 ontwikkelden werkgevers ook initiatieven om huizen te (doen) bouwen voor werknemers. Geleidelijk aan begonnen ook stichtingen, vakorganisaties, politieke partijen, parastatale bedrijven gronden aan te vragen om leden/belanghebbenden vervolgens aan een kavel helpen t.b.v. woningbouw. Door weinig of geen gecoördineerde faciliteiten door de overheid ging er veel mis op zulke projecten. Vaak zit men tot op heden met de problemen, bv de waterhuishouding.
Vanaf ong. 2000 ontstaan de professionele particuliere initiatieven zoals Sekrepatu en Caesarea. Die hebben de uitvoering van de maatschappelijke taak van de overheid op zich genomen. Vooralsnog zonder de benodigde faciliteiten van de overheid. Inmiddels zijn er enkele financieringsfaciliteiten in het leven geroepen door de overheid. Deze zijn echter onvoldoende om substantiële invloed te hebben op de vraag naar goede en betaalbare woningen. Bovendien worden de echte minima niet bereikt. Voor organisaties die zich met de sociale woningbouw bezig houden zijn er geen financiële faciliteiten.
Anno 2010 zijn de prestaties van de overheid beneden de planning. Nu afwachten hoe de nieuwe regering dit mega probleem zal aanpakken. Gelukkig is de individuele burger steeds meer in staat om in de eigen huisvestingsbehoefte te voorzien.